| |
|
|
|
|
|
- Latijn: Trachydosaurus Rugosus
- Familie:Scincidae
- Lengte: 30 - 40 cm
Denappelskinken komen voor in de drogere gebieden van Zuid Australië, waar ze volledig aangepast zijn om in het hete en droge klimaat te overleven.
De opvallendste kenmerken van deze skinken zijn de korte ronde staart, die goed op de kop gelijkt, en de grote schubben over het lichaam, die hen een ruw uiterlijk geeft. Ze hebben korte pootjes en een blauwe tong. In de staart leggen ze gedurende voedselrijke tijden een vetreserve aan, die hen toelaat om maanden zonder voedsel te overleven. Eens de denappelskinken een geschikte partner gevonden hebben blijven ze deze voor de rest van hun leven trouw. In het voorjaar zoeken ze elkaar telkens op om te paren. Het wijfje krijgt slechts 2 jongen per jaar, die bij de geboorte soms 45% van haar lichaamsgewicht hebben.
De denappelskink komt voor in een habitat variërend van graslanden, eucalyptuswouden, woestijnvlakten tot heides.
Ze verbergen zich tussen de bladeren, onder stukken hout of natuurlijke holtes in de bodem.
Ze voeden zich met groenten, fruit en insecten en hebben een voorkeur voor gele bloesems, waar ze zich rijkelijk aan te goed doen. In sommige perioden van het jaar eten ze vooral slakken. Insecten en kleine hagedissen lusten ze ook, maar omdat ze trage en onbehendige jagers zijn is het niet altijd gemakkelijk voor hen om die te verschalken.
|
|
|
|
|
|
| |
|
 |
|
|
 |
|
 |
|
 |